Kantklossen, een stukje geschiedenis.

Waar en wanneer kloskant is ontstaan is niet met zekerheid te zeggen. Het kantklossen is ontstaan vanuit het vlechten en weven. Men zocht naar een techniek waarbij met meer draden tegelijk kon worden gewerkt. Mede geïnspireerd door reeds oude overgeleverde vlechttechnieken uit Egypte en mogelijk Assyrië kon de kantkloskunst ontstaan. Denk daarbij aan de haarnetten die de Egyptische vrouwen droegen en dat op 15e eeuwse portretten (Jan van Eyck) zulke haarnetten voorkomen.

Vele landen beweren de bakermat van het hedendaagse kantklossen te zijn. De oudste sporen van het hedendaagse kant vinden we in het begin van de 15e eeuw, zowel in Italië als in Vlaanderen. Vlaanderen heeft een schilderij van Hans Memling uit circa 1485. Op het schilderij, Madonna met kind, wordt een priester afgebeeld met een koorhemd aan. Dit hemd is voorzien van een strookje puntvormig kant als omranding. In Italië wordt op een inventarislijst, opgemaakt op 12 september 1493 (t.b.v. een erfenis van de familie Sforza) melding gemaakt van een een getand lint voor een laken gemaakt met twaalf klossen.

In de loop van de 16e eeuw ontwikkelt zicht het kloskant snel. Tegen het einde van de 16e eeuw gaat kant een grote rol spelen in de mode. De kragen en manchetten worden steeds uitbundiger versierd. Hiervan zijn op schilderijen en tekeningen uit die tijd veel voorbeelden te zien. Van het kant zelf is helaas niet veel meer bewaard gebleven hoewel er hier en daar nog wel oude kanten te zien zijn in musea in Londen en Brussel.

In de 17e eeuw is het kantklossen tot grote bloei gekomen. Kloskant uit die tijd is bijvoorbeeld het Milanese kant, Genuese kant, Brussels kant, allen genaamd naar de stad waar ze het meest gemaakt werden. Onder invloed van de mode krijgen de kanten aan het begin van de 17e eeuw steeds puntiger randen. De kantgeschiedenis is ook erg goed van de portretten uit die tijd af te lezen. Als we de schilderijen bekijken ziet we tegen het einde van de 16e eeuw de zogenaamde molensteenkragen opkomen.


schilderij van Beatrix van Sypesteyn - geschilderd door Jan van Ravensteyn in 1615

Na circa 1615 komen kragen in de mode die soepeler vallen. Dit is zeer gunstig voor het kloskant. Door de vooruitgang van de technische mogelijkheden kan het kant zich in alle vrijheid ontplooien tot de barokke schoonheid die ze rond 1650 heeft bereikt. Italië en Vlaanderen vechten met elkaar om de mooiste kanten te leveren. In deze tijd gaan er enorme bedragen om in de kanthandel, zo erg zelfs dat het in Frankrijk leidde tot ongewenst geldverkeer naar het buitenland! Dit is o.a. ook een van de oorzaken van de diverse verboden tot het dragen van kant die in de loop der eeuwen zijn uitgevaardigd. Het eerste verbod stamt uit 1534 in Spanje en het laatste verbod stamt uit 1715.

De verschillende stijlperioden in de 18e eeuw zijn o.a

De Regence - de overgang tussen de overdadige Lodewijk de 14e naar de luchtiger Lodewijk de 15e stijl 1700-1730

De Rococo - van circa 1730 tot 1773

Lodewijk de 16e - van circa 1770 tot 1795

het Classicisme - vanaf circa 1795

De zware motieven van de barok verdwijnen in de Regence om over te gaan in de speelse motieven van de Rococo. We zien in de kanten een meer regelmatige ondergrond ontstaan. Hier door worden de kantsoorten duidelijker te herkennen. Bijvoorbeeld: Vlaamse kant, Mechels Kant, Valencienne, Lille, Chantilly, Binche. Zijn in het begin van de 18e eeuw de motieven over het hele kant rijkelijk verdeeld en blijft er weinig ruimte over voor de ondergrond, tijdens de Rococo zien we de figuren, motieven meer los komen te staan en meer naar de onderkant van het kant zakken. Er komt meer ruimte voor de gronden wat rust geeft in het patroon. Het zakken van de motieven is mede veroorzaakt door de toepassing van de kant in die tijd, namelijk stroken kant aan de onderkant van de mouwen meestal in verschillende lagen trapsgewijs over elkaar gelegd.

In de 19e eeuw ontwikkelen de diverse kantsoorten zich. Zoals Cluny, eigenlijk een Guipure kant. Op Malta en Gozo werden veel witte en zwarte zijden kanten geklost. Duchesse (met en zonder naaldkant) zijn imitaties van de oude Brusselse kanten en komen sterk op halverwege de 19e eeuw. Tegen het einde van de 19e eeuw ontstond ook nog de Rosaline (Perlé). In het begin van de 20ste eeuw werd in het Ertsgebergte nog een nieuwe kantsoort ontwikkeld, de Schneebergse kant. In alle landen werden voorzichtige pogingen gedaan om de ontwerpen van de kanten te vernieuwen, maar over het algemeen zonder veel succes. Patroonboeken (het eerste bekende patroonboek stamt uit 1523!) werden herdrukt en de patronen werden aangepast aan de smaak van de tijd, wat de ontwerpen meestal niet ten goede kwam.

Begin 19e eeuw kwamen ook de eerste machines die kant konden maken. In 1807 vond Heathcoat een machine uit die tule kon maken die niet ladderde. Andere bekende Engels kantfabrikanten werkten later veel met de Warp machine en de Leaver machine. Ook in Frankrijk ontstond een kantindustrie van machinale kanten o.a. in Lyon en Calais.

Door de machinale kanten kregen de handgemaakte kanten het erg te verduren. Dit leidde dan ook tot de ondergang van de industrie van handgemaakt kant. Er werden verschillende pogingen ondernomen de handgemaakte kant weer nieuwe leven in te blazen, maar die mislukten allemaal. Na de 2e wereldoorlog is er toch weer een positief geluid te horen voor de handgemaakte kant. Als betaalde arbeid is het zo goed als verdwenen maar als hobby is het kantklossen nooit weggeweest en nu zelfs weer voorzichtig in opkomst!

terug