De methode
Kantklossen bestaat uit draaien en kruisen en is gebaseerd op de drie basisslagen, de netslag (halve slag), de linnenslag en de dubbele netslag
(de hele slag).
het 'ophangen' van het paar klosjes, het draaien, de rechterdraad over de linkerdraad en het kruisen, de linkerdraad over de rechterdraad.
..... en dan draaien én kruisen, nu heeft u de halve of netslag gemaakt!
Draaien, kruisen, draaien, kruisen - de hele slag of dubbele netslag
Als laatste: kruisen, draaien, kruisen - de linnenslag
Door de diverse slagen te combineren zijn de mogelijkheden onbegrensd.
Een paar voorbeeldjes:
De Brusselse slag: draaien, kruisen, draaien, kruisen speld zetten en weer draaien, kruisen, draaien, kruisen.
De Dieppeslag: draaien, draaien, kruisen, speld zetten, draaien, kruisen.
De Vetergatslag: draaien, kruisen, speld zetten, draaien, kruisen.
De Honingraatslag: draaien, draaien, kruisen, speld zetten, draaien, draaien, kruisen.
Dit is slechts het topje van de ijsberg in de mogelijkheden in het kantklossen.
Iedere kantsoort kent zijn specifieke slagen en mogelijkheden.
Op een kantklospatroon, kantbrief genaamd, vindt u bijna altijd stippen en lijntjes.
Torchonkant en 's Gravenmoers kant werken op deze wijze.
Iedere stip krijgt een speld waarom heen u de slagen maakt. Ook kan er langs lijnen geklost worden.
Met een zigzag lijnen patroon wordt aangegeven dat hier een linnenslag geklost moet worden, de spelden komen
aan het eind van de lijntjes.
Andere kantsoorten werken op een andere manier zoals bijvoorbeeld de Rosaline kant.
Hier wordt alleen de omtrek aangegeven en men bepaald zelf waar de speld gezet wordt.
Dicht op elkaar is wat 'zwaarder' en wat verder uit elkaar maakt het kant
luchtiger.
Er zijn teveel mogelijkheden om hier allemaal te noemen maar ik hoop dat u een idee gekregen hebt.
Hieronder foto's van mijn waaier in wording in Torchonkant - klik op de foto voor vergroten.