In Duitsland wordt het schiffchenarbeit genoemd - het werk van een kleine boot (spoeltje). De Italianen noemen het occhi, wat ogen betekend, dit naar de ring waarop de knoopjes worden gemaakt. De Engelsen noemen het tatting, waar deze benaming uit voort komt is niet helemaal duidelijk. Een van de suggesties is dat in vroeger tijden, terwijl de vrouwen aan hun kant werkten er ondertussen tattled (gebabbeld) en gossiped (geroddeld) werd. De Turken noemen het makouk, wat hun naam is voor het spoeltje. In Zweden spreekt men over frivolitet. In Noorwegen en Denemarken heeft met het over orkis. In Finland zegt men: sukkulapitsi, sukkula betekent spoeltje en pitsi is het Finse woord voor kant. De Fransen en de Belgen tenslotte noemen het, evenals wij, frivolité.
Men veronderstelt dat het frivolité ontstaan is uit een knooptechniek die werd gebruikt om kleding te versieren. De Egyptenaren gebruikten geknoopt werk, sliertjes, bandjes, om hun ceremoniële kleding mee te versieren. Er is een mummie gevonden met kleding waarop geknoopte ringen waren gezet die heel veel op frivolité lijken.

In oud China verwerkte men geknoopt werk in borduurwerk. Deze technieken vonden hun weg naar Europa. In de middeleeuwen werd dit knoopwerk populair om huisraad en borduursels mee te versieren. De Engelse schrijver Geoffrey Chaucer vernoemt dit knoopwerk zelfs in zijn beroemde Canterbury Tales (1387).
Het knoopwerk werd gedaan door garen op een spoel te winden en dan een serie knopen, dicht op elkaar, op een draad te maken waardoor het op sliert kraaltjes ging lijken. Het werd echter niet eerder populair dan in de 17e eeuw. Men denkt dat de Hollanders door hun reizen naar en de handel met het verre Oosten nieuwe vormen van de knooptechniek meegenomen hebben naar Europa. Het is niet zeker wanneer het geknoopte werk frivolité werd. Men neemt algemeen aan dat het in Italië is gebeurd. Op een dag bedacht iemand dat je in plaats van sliertjes ook ringetjes kon maken en zie, het frivolité was geboren. Ondertussen was in Engeland aan het hof van William en Mary het knopen heel populair geworden. Koningin Mary zelf was een fanatiek knoopster en nam haar werk overal mee naar toe. Er is zelfs een gedicht over geschreven door Sir Charles Sedley die haar vergeleek met een voormalige katholieke koningin (de Schotse Mary) die 'altijd kralen aan het tellen was' (haar rozenkrans aan het bidden).
" But here's a Queen now, thanks to God, Who, when she rides in couch abroad, Is always knotting threads "
In deze dagen waren de spoeltjes veel groter dan tegenwoordig. zo tussen de 13 en 25 cm lang en 2,5 tot 5 cm breed, met de blaadjes open aan het einde opdat er met dikkere draden (gouddraad) gewerkt kon worden.
De spoelen waren vaak gemaakt van ivoor en schildpad. Vaak ingelegd met goud of zilver, juwelen, parelmoer en werden als geschenk gegeven. In 1745 kreeg de infante Maria Theresa als huwelijksgeschenk 5 gouden kistjes die elk een gouden spoel bevatten. Ook Madame de Pompadour bezat fijn bewerkte, met edelstenen bezette, gouden spoelen.
De franse spoelen waren nog groter dan de engelse, en weer waren het de dames aan het hof die van de spoelen een mode accessoire maakten. In die dagen zat een dame van stand nooit met haar handen stil of ze had haar waaier in de hand of ze hield zich bezig met o.a. het knopen van een handwerk. De spoelen werden overal mee naar toe genomen en gedragen in kleine geknoopte tasjes. Op sommige schilderijen uit die tijd hebbende de dames zich laten afbeelden met hun knooptasjes en de spoelen. Hieronder vindt u een foto van een schilderij van Jean-Marc Nattier (1685-1766). Het is een portret van Madame Adélaide, dochter van Lodewijk XV die in haar rechterhand een spoel vast heeft waarmee in die tijd frivolité gemaakt werd.

Zoals eerder gezegd neemt men aan dat het frivolité in de 16e eeuw in Italië is ontstaan en waarschijnlijk in een klooster. Veel kantvormen zijn ontstaan in kloosters. Nonnen hebben altijd veel aan handwerken gedaan.
De vroegere vormen van frivolité zijn nogal verschillend met die van deze tijd. Er waren geen kettingen en het werk bestond uit alleen maar uit ringen die in rijen of groepen aan elkaar werden gezet, čn er werd maar met 1 spoeltje gewerkt. In de vroege helft van de 18e eeuw nam het frivolité het langzaam over van het knoopwerk en rond 1850 was frivolité in Europa ingeburgerd. Ook in deze tijd begonnen de eerste boeken over frivolité te verschijnen. In de loop der jaren ontwikkelde het frivolité zich, er werd o.a. met 2 spoeltjes en met kleur gewerkt en duizenden patronen werden ontwikkeld. Het frivolité was redelijk populair gedurende de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw maar na de 2e wereldoorlog kwam het op een laag pitje te staan in Europa. In Amerika ging het langer door en in Australië kreeg het frivolité zelfs een flinke opleving zo tussen 1930 en 1940.
Heden ten dage worden oude handwerktechnieken zoals frivolité weer helemaal herontdekt en dat is fantastisch! Ik hoop met deze pagina's ook de jeugd weer warm te laten lopen. Er is zo veel mogelijk met frivolité, niet alleen maar kleedjes maar sierraden zoals oorbellen en kettingen.

Raamhangers, minischilderijtjes en wat dacht u van een een batisten zakdoekje afgewerkt met een zelfgemaakt kantrandje voor die vriendin die gaat trouwen? Zelf kerstkaarten maken met een zelfgemaakt kant, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Kijkt u maar eens rond op de diverse sites over de hele wereld. Japan, Canada, Australië, Amerika, Engeland... werkelijk overal wordt, gelukkig maar, weer aan frivolité gedaan.
terug